Column: Voetbal, commercie en een verhitte discussie

De vercommercialisering van het betaalde voetbal. De één omhelst het, de ander vindt het weerzinwekkend. Want wie zijn die verwaande ventjes op het veld nu helemaal? Ze mogen zich dagelijks met hun hobby bezighouden en krijgen daar nog miljoenen voor betaald ook. De wereld is oneerlijk.

Voor het Nederlandse voetbal is de commercie dodelijk. Onze clubs zijn simpelweg te klein om tegen al dat buitenlandse geld te kunnen opboksen. In Spanje, Italië, Duitsland en Engeland zijn de Tv-rechten vele malen lucratiever en liggen de salarissen tien keer zo hoog. Gevolg: de topspelers vertrekken massaal naar het buitenland en wij blijven met de middelmaat achter.

Nederland glijdt af. We krijgen steeds minder Europese tickets. Vooral in de Champions League tellen we niet meer mee. Alleen de kampioen mag meedoen aan het miljoenenbal. De nummer twee speelt slechts voorrondewedstrijden, een privilege dat enkele jaren geleden nog aan de derde plaats in de Eredivisie was verbonden.

Er wordt wel eens gesproken over een zogenaamde 6+5-regel, waarbij elke betaald voetbalclub niet meer dan vijf buitenlandse spelers mag opstellen. Een regel die de Eredivisie zeker ten goede zal komen. We hebben namelijk een opleidingscompetitie. Voldoende talenten, alleen vertrekken die te vaak en te snel naar het buitenland. Als clubs als Real Madrid, Manchester City en Chelsea beperkt zijn in het opstellen van andere nationaliteiten, zullen ze er ook minder aantrekken. Bovendien zijn deze grootmachten dan verplicht om minimaal zes spelers uit eigen land de wei in te sturen, waardoor Nederland ook op sportief gebied een inhaalslag kan maken. Want als het op eigen jeugdspelers aan komt, zijn wij de beste.

Mijn vader is een andere mening toegedaan. Hij is als reclameman fel voorstander van de vercommercialisering. Het leverde laatst, bij een gezellig etentje, althans dat was de bedoeling, de volgende verhitte discussie op. 

Ik: “Schandalig dat al die grote clubs zich in de schulden mogen werken, de grootste spelers kunnen aantrekken, terwijl onze clubs onder strenge controle van de KNVB staan.”

Mijn vader: “Hoe kom je daar nou bij? Waar bemoeit de KNVB zich mee? Voetbalclubs zijn bedrijven, die hebben die hele voetbalbond niet nodig. Als ze schulden willen maken, moeten ze dat lekker zelf weten. Het maakt de supporters echt niet uit hoe diep hun club in het rood staat. Zolang ze maar van de beste spelers kunnen genieten.”

Ik: “Nee, dat is onzin. Op die manier dwing je clubs om schulden te maken. Want als Real Madrid voor 200 miljoen aan spelers koopt, moet Barcelona wel volgen. Anders kunnen ze hun concurrent op sportief vlak niet meer bijbenen. En daarna volgt de rest. Het is een domino-effect. Het is toch verschrikkelijk dat Nederlandse talenten al op 16-jarige leeftijd worden weggeplukt?”

Mijn vader: “Ik hoor het al, jij hebt geen idee waarover je praat. Dus als jij talent hebt, en de absolute top zit achter je aan, dan mag je je talenten niet ontplooien? Dan moet je in dit nietszeggende landje blijven. Het is een eer als een club als Chelsea je haalt.”

Ik: “We praten over vijf jaar wel verder. Wedden dat we van al die vroeg vertrokken talenten niets meer horen?”

Mijn vader: “Ik denk van wel.”

Ik: “En dan nog. Vind je het voetbal, met al die commercie, er de afgelopen jaren leuker op geworden?”

Mijn vader: “Ja, ik vind het leuker dan ooit.”

Ik (nu op felle toon): “Dan ben je de jaren negentig zeker vergeten. Feyenoord in de halve finale van de Europacup II, terwijl Ajax in de Champions League-finale stond. Dat waren nog eens tijden. Werd die 6+5-regel maar ingevoerd. Dan deden we weer mee.”

Mijn vader (geïrriteerd): “Jij snapt er echt helemaal niets van. Op de eerste plaats: Ajax stond onlangs nog in de Europa League-finale en stond op de drempel van de finale van de Champions Leage, als die vreselijke Lucas Moura niet voor het eerst in zijn leven een hattrick had gemaakt. Daarnaast is die 6+5-regel juridisch niet mogelijk. En het zou nergens op slaan. Dan zouden werkgevers in Nederland ook niet meer dan zes buitenlanders in dienst mogen nemen. Weet je hoeveel Polen er in de kassen werken? Werk dat Nederlanders niet willen doen.”

Ik (met harde stem): “Kap nou eens met die vergelijking. Voetbal is geen bedrijfsleven.”

Mijn vader (schreeuwend): “Dat is het wel.”

Ik (met jeukende handen, terwijl ik woedend overeind kom uit mijn stoel): “Zolang er gemeenschapsgeld nodig is om al die clubs overeind te houden, gaat die vlieger niet op. Moet jij als gewoon bedrijf eens proberen, al die schulden maken. Ze komen dezelfde dag nog de tent leeg halen. Ach, weet je wat jouw probleem is? Jij bent…”

Mijn moeder (die mij op kalmerende toon onderbreekt): “Iemand nog wat drinken?”

carlo@teampress.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *