Column: Johan Derksen en een moeizaam interview

Schrijvend voor het Rotterdams Dagblad en diverse huis-aan-huiskranten besloot ik achttien jaar geleden de brutale sprong te wagen: ik schreef een open sollicitatie aan Johan Derksen, hoofdredacteur van Voetbal International. Met de vraag of er nog behoefte was aan redactionele versterking. Hoewel ik nergens op rekende, kreeg ik al snel een telefoontje. De heer Derksen had mijn brief gelezen en wilde me ontmoeten. Of ik me de volgende dag op de redactie in Gouda wilde melden.

Johan Derksen is een fenomeen. Ook achttien jaar geleden al, toen zijn ongezouten mening eveneens van de beeldbuis spatte. Er is weinig aan de man veranderd, hoewel hij tegenwoordig geen sigaren meer mag roken op tv. Deze voetbalanalist is nog even gevat en ad rem als voorheen. Een discussie met Derksen valt niet te winnen. Nu niet, toen niet.

Ik kende Derksen alleen van zijn televisieoptredens. Zijn reputatie was er één van streng en gemeen. Iemand die je kan maken en breken. Toen ik zijn kantoor binnenstapte, bleek hij ook een vriendelijke kant te hebben. Hij was minder streng dan zijn reputatie deed vermoeden. Maar wel strikt en zakelijk, zoals een goed hoofdredacteur betaamt. Hij wilde een nieuw magazine beginnen. VI for Kids, een maandblad voor kinderen. Of ik daar spelers voor wilde interviewen. Nog voordat ik antwoord kon geven, kreeg ik (letterlijk) een notitieblok met pen naar mijn hoofd geslingerd. ‘Schrijf mee,’ beval Derksen. En hij somde in hoog tempo 18 profvoetballers op.

Met de grootst mogelijke moeite wist ik de namen op het velletje te schrijven. Het was lastig om de snelle woorden van Derksen bij te benen. Ik hoopte maar dat ik de juiste spelers had opgeschreven. Een goede indruk was cruciaal, ik durfde niet te laten merken dat het me te snel ging. Op de terugweg had ik een vreemd gevoel in mijn buik. Ik was dolgelukkig met deze kans, maar voelde ook de zenuwen.

De allereerste voetballer die ik ging interviewen was PSV’er Arjen Robben. Na een simpel belletje met de club, was de afspraak snel gemaakt. Ik meldde me op de Herdgang, het trainingscomplex van de Eindhovenaren, waar ik werd opgevangen door Pedro Salazar-Hewitt. De manager pers en communicatie die ik eerder al aan de telefoon had gehad. Ik moest wachten in de persruimte, samen met andere journalisten. Ik nam de sfeer en omgeving aandachtig in me op. Wat zagen deze mannen er zelfverzekerd uit. Terwijl mijn eigen handen inmiddels aan het trillen waren van de zenuwen.

De deur ging open, Salazar stapte binnen. Ik mocht meekomen. Samen liepen we door het spelershome van PSV, waar de gehele selectie zich op dat moment bevond. We liepen richting een pooltafel, waar onder anderen Arjen Robben zich aan een potje waagde . ‘Deze man is van VI, hij komt je interviewen,’ sprak Salazar tegen de jonge linksbuiten. Robben keek een tikkeltje ongelukkig. Hij was net zo lekker aan het poolen met zijn ploegmakkers. Hinderlijk, zo’n journalistje dat hem juist op dit moment kwam storen.

We gingen zitten in de stoelen naast de pooltafel. Met gespannen stem las ik de eerste vraag vanaf mijn aantekeningenbriefje voor. Terwijl ik wachtte op antwoord, keek Robben intussen naar het potje pool, dat tot frustratie van hem ook zonder zijn aanwezigheid weer werd hervat. Zijn ploeggenoten moesten ergens om lachen en Robben lachte mee. Zich totaal niet concentrerend op het interview. ‘Sorry, wat vroeg je?’ Opnieuw stelde ik mijn vraag. Ditmaal volgde er wel een antwoord,  zij het op de automatische piloot. En nog altijd met het vizier op zijn medespelers gericht.

Toen ik al mijn vragen had gesteld, wist Robben niet hoe snel hij weer moest opstaan om de keu van zijn vervanger – ik meen Arnold Bruggink – over te nemen. Ik reed het lange stuk naar huis. Peinzend. Als dit maar geen voorbode was voor de andere 17 interviews. Dan stond me nog wat te wachten.

Het zou gelukkig meevallen. De meeste voetballers bleken sociaal een stuk vaardiger dan Robben op dat moment nog was. Of in elk geval een stuk minder snel afgeleid. Complimenten voor met name Theo Janssen, Sander van Gessel, Rick Hoogendorp, Ebi Smolarek, Patrick Paauwe en Joris Mathijsen, die stuk voor stuk bijzonder vriendelijk  waren en me een fijne vuurdoop in de voetbaljournalistiek gaven. De moeizame aftrap met Arjen Robben werd daardoor niets meer dan een leuke anekdote op verjaardagen.

Carlo Willemsen
carlo@teampress.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *